Een rug

Een rug

Een rug, een landschap als een boek, een beeld: liefdevol gepolijst
albast. Te lezen in de explosieve stilte van het licht, dat uit zo diep
een donker spat. Waar op de tast verrassing wacht, van huid en haar,
waaronder kracht: spieren, botten. Een leeslandschap, nauwelijks
met gewicht belast, op schouderhoogte vrijwel onverweerd, en elders
toch voorzichtig al vereerd met het zachte ademhalen van de tijd;
dat je al kijkend, lezend, een vermoeden leert. Van eeuwigheid.

Dit is een groot verhaal, hier staat geschreven. En toch: hier valt
geen woord. Gefluister op de lichthuid voor de lens, van een onaardse
aardsheid. Over een landschap dat bezocht werd in een heilige
drievuldigheid op de eerste dag van alle nieuwe dagen; gekust,
vervuld werd in een visioen op dag zeven. Rust. Leven. Dit is
een geestelijke huid, die geen geluid verdraagt van holle frasen,
onvatbaar nu voor het altijd blazen, altijd razen van de dingen.

Mystiek lichaam. Zinnebeeld om bij te zingen, zachtjes voor je uit,
een melodie van zielsverbondenheid, sereen als glas. Landschap met
twee ringen. Gesmeed in vuur en as, voor een huwelijk bij koninklijk
besluit. Die aan de hand behoort de bruid, de bruidegom woont maar
een hemel verderop. Waar hij wijn klaar heeft staan om nieuw met haar
te drinken. Waar witte kleren zijn, voor straks, als al het aardse
is verstomd. Omdat het feest zal zijn, die dag, wanneer hij komt.

Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte