Photography blog

Lichtval

H. Silvia Rufina, 3 november 2022 ‘De nacht was haar als de dag.’

Een droom: we vielen uit de lucht, het Licht en ik. Het Licht was helder, als een bliksem die de hemel van oost tot west verlicht. Het was een diepe val, onder ons was de zee. Water is betonhard voor wie valt, maar angst was er niet. Ik verloor het contact met haar niet. Ik zei, in volle vaart maar kalm en zonder onzekerheid: ‘met je voeten of met je hoofd erin.’ Dat deden we. Het Licht werd in alles net zo op de proef gesteld als ik. We gingen samen onder en kwamen samen boven. Het water was zout en koud. We vreesden de kou in onze botten niet.

Er voeren schepen. Rare, immense schepen, van ongebruikelijke modellen. Alsof het kleine scheepjes waren die enorm waren uitvergroot. Twee waren heel dichtbij. Een rode werkboot met een kraan erop was eigenlijk al doorgevaren voordat ze ook maar iets had kunnen zien. Alsof ze zich richtte op wat er gedaan moest worden, maar geen relatie aan kon gaan met degenen die ze onderweg tegenkwam. Niet echt. Alsof ze daar niet op was ingericht. 

En een blauwe met lieflijke witte ramen. Het leek een boot om in te wonen, een plek om naartoe te gaan als je wijsheid en huiselijkheid zocht, op een bepaalde manier. De blauwe boot had twee verdiepingen, maar de ramen waren elk wel vijftien meter hoog. Ik besefte ineens dat een schip ook een stalen bak is, en vroeg me af: hoe stook je het daarbinnen in vredesnaam warm? 

Zagen ze ons niet? Wilden ze ons niet zien? Konden ze ons niet zien, doordat ze tot zo’n onnatuurlijke proportie waren opgeblazen? Hoe dat ook zij: wij werden door de schepen niet gezien. 

We keken elkaar aan en lieten ze rustig, hoog boven ons, voorbijvaren. Toen ook het blauwe schip voorbij was, zagen we strand. Een zandbank eerst, toen een brede maar ondiepe geul, met water dat de zonnewarmte al een beetje in zich opgenomen had. Toen we die geul waren doorgewaad, bereikten we het strand.

___

Veel sliep ik verder niet, maar ik lag rustig wakker. De droom was helder en riep geen vragen op. Hij was eerder geruststellend, op het saaie af. Leeg en helder stond ik op uit de nacht. Beneden zette ik de klankschaal en de kaars klaar, en maakte me op voor de ochtendmeditatie, Lectio Divina.

Een beeld uit de lezing, een lange, rijke zin, groeide uit tot de kern. Liefde zegt, door de mond van haar profeet: ‘Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht, zodat zij groen wordt, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan de eter, zo zal het ook gaan met het woord dat komt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar mij terug; het keert pas weer wanneer het mijn wil volbracht heeft en zijn zending heeft vervuld.’

 ___

Ondertussen groeide het licht in mijn kamer, tot de zon in een novemberse, koele schoonheid opging over het grasland en de stoppelvelden. Het was een Ware Droom geweest, gevolgd door een Ware Tekst. Leven voelt van tijd tot tijd als buiten staan in november, in een regen die op het punt staat sneeuw te worden. Koud en doorweekt sta je daar. Soms is de kou van de sneeuw nog beter te verdragen dan de regen. Regen is een pijnlijke restwarmte, die verloren gaat met de inval van de winter.

Mensen varen voorbij als schepen. Een werkboot die zich het eelt op de handen en de ziel kweekt, en zichzelf troost met de gedachte dat het werk van betekenis is – maar die onder al dat eelt van jaren her de mogelijkheid tot echt, persoonlijk, kwetsbaar contact is verloren. Of een schip dat ingericht is op warmte, dat ook uitstraalt. Een schip waar je zou kunnen leren hoe je het leven moet leven, maar dat een koude, stalen bak blijkt, met ruimtes die niet warm te stoken zijn. Niet voor jou. Ze varen je voorbij.

Maar ze varen voorbij. En dan zie je een zandbank. Een rustplaats voor even. Met daarachter nog een geul om door te waden. En daarachter, overspoeld met overdonderend zonlicht, strand. 

Daar besef je: de regen en de sneeuw waren er niet zomaar. Ze waren er om het zaad te voeden dat je zaaien moet, het brood dat je eten mag. De regen en de sneeuw zijn in je leven op missie. Als ze kunnen zeggen: ‘Het is volbracht’, keren ze terug naar hun zender.

En dan sta je, tijdelijk, totdat het tijdelijke eeuwigheid heeft aangedaan, overspoeld met overdonderend zonlicht, op het strand.

Tekst: Catharinus | foto: Alba Rosa | Heilige Ruimte

Dubbelportret: Denise

Denise

Regen uit een lege hemel. Een groot teken. Ik zag een vrouw, gehuld in het licht van een
omfloerste zon. Een vrouw van eer. Onder haar voeten lag de maan. Haar handen, rank en
eindeloos teer, strooiden ruimhartig sterren uit, die lichtkringen maakten waar zij het water
raakten. Weerloos was zij, als een vrouw op alle dagen. Doodsnood. Levensdrang. Laatste
vragen. Misbaar en moed. En nooit gesleten zeer. Ik zag de Maria van het Engelermeer.

Barrevoets staat zij daar, een tempelzuil. Geducht, als een priesteres, rijst zij op uit de
dode rivierarm. Haar voeten staan waar het riet wortelt, zij voelt daar het leven wemelen.
De schepping zucht. Er is gevaar. Zij speurt een lege hemel af, zou willen leven van de lucht.
Zij zal de laatste zijn die vlucht. Ze breidt haar handen uit. Ze leeft op goed gerucht.

Bemin haar, Liefde, begenadig haar. Rijs voor haar voeten op als heilzaam kruid. Wil in
haar diepste diep haar warmte zijn, haar hartslag, haar extase. Wil, Liefde, voor haar zijn
wat haar kan schelen. Laat haar vieren en delen. Zij kan een moeder zijn. Voor velen.

Foto: Alba Rosa | Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte

Dubbelportret: Adriana

Adriana

Wat is waar? Lucht. Je neus en mond snakken ernaar. Je ogen
kijken vragend omhoog. Precies over je slapen loopt een grens.
En uitgerekend daar heeft je haar een aureool van blauw vuur.
Daaronder vindt een zacht vertragen plaats, daar is je natte haar
zwaar en gewichtloos tegelijk. Als wier. Als de verwarring van

gedachten in stilstaand water. Welke grondtoon horen je oren?
Hoor je die stem, die uit de aarde en uit water roept om jou? Die
jou zoekt in een blauwe genade? En lukt het je te luisteren? Antwoord
te geven? Met je lippen op elkaar en natte ogen terug te fluisteren?

Laat de bloemen los. Zij dragen de last van hun eigen bestaan, ze drijven
niet bij jou vandaan. Kijk niet zo verrast. Laat los, geef antwoord, laat
gaan. Je zult het zien, dat alles past. Want wat je loslaat houdt jou vast.


Foto: Alba Rosa | Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte

Een rug

Een rug

Een rug, een landschap als een boek, een beeld: liefdevol gepolijst
albast. Te lezen in de explosieve stilte van het licht, dat uit zo diep
een donker spat. Waar op de tast verrassing wacht, van huid en haar,
waaronder kracht: spieren, botten. Een leeslandschap, nauwelijks
met gewicht belast, op schouderhoogte vrijwel onverweerd, en elders
toch voorzichtig al vereerd met het zachte ademhalen van de tijd;
dat je al kijkend, lezend, een vermoeden leert. Van eeuwigheid.

Dit is een groot verhaal, hier staat geschreven. En toch: hier valt
geen woord. Gefluister op de lichthuid voor de lens, van een onaardse
aardsheid. Over een landschap dat bezocht werd in een heilige
drievuldigheid op de eerste dag van alle nieuwe dagen; gekust,
vervuld werd in een visioen op dag zeven. Rust. Leven. Dit is
een geestelijke huid, die geen geluid verdraagt van holle frasen,
onvatbaar nu voor het altijd blazen, altijd razen van de dingen.

Mystiek lichaam. Zinnebeeld om bij te zingen, zachtjes voor je uit,
een melodie van zielsverbondenheid, sereen als glas. Landschap met
twee ringen. Gesmeed in vuur en as, voor een huwelijk bij koninklijk
besluit. Die aan de hand behoort de bruid, de bruidegom woont maar
een hemel verderop. Waar hij wijn klaar heeft staan om nieuw met haar
te drinken. Waar witte kleren zijn, voor straks, als al het aardse
is verstomd. Omdat het feest zal zijn, die dag, wanneer hij komt.

Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte

Uit aarde en uit steen

Velen hebben God gezocht in de woestijn en hebben hem daar niet gevonden. Velen hebben zich in afzondering teruggetrokken, en hij heeft zich niet aan hen getoond. God te pakken krijgen is net zo gemakkelijk als het te pakken krijgen van de bliksem. En net zoals de bliksem slaat hij in waar en wanneer hij wil.
Thomas Merton (1915-1968), pater trappist, kluizenaar.

De hele tijd al

De hele tijd al

De afgrond zuigt en duwt en trekt en groeit, groeit
mateloos, zegt nooit het is genoeg, nooit zwart genoeg
rond jou, in jou, neemt alles op in hartverslindend
duister, zoekt kwetsbare plekken. Een kille tocht
sluipt door, via de zachte holte van een zij, tart
een arm, afwerend geheven, binnenzijde buiten, tot,
tergend langzaam, een huiver, een kou op het bot.

Totdat het licht de afgrond overbrugt, je ruimte
heiligt. Dan blijkt dat jij ook in dat ondoorgrondelijk
donker je ogen open had, de hele tijd al.

Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte