Lichtval

“…Een droom: we vielen uit de lucht, het Licht en ik. Het Licht was helder, als een bliksem die de hemel van oost tot west verlicht. Het was een diepe val, onder ons was de zee. Water is betonhard voor wie valt, maar angst was er niet. Ik verloor het contact met haar niet. Ik zei, in volle vaart maar kalm en zonder onzekerheid: ‘met je voeten of met je hoofd erin.’ Dat deden we. Het Licht werd in alles net zo op de proef gesteld als ik. We gingen samen onder en kwamen samen boven. Het water was zout en koud. We vreesden de kou in onze botten niet…”

(Tekst bij een nachtgezicht)

Tekst: Catharinus | foto: Alba Rosa | Heilige Ruimte

De hele tijd al

De hele tijd al

De afgrond zuigt en duwt en trekt en groeit, groeit
mateloos, zegt nooit het is genoeg, nooit zwart genoeg
rond jou, in jou, neemt alles op in hartverslindend
duister, zoekt kwetsbare plekken. Een kille tocht
sluipt door, via de zachte holte van een zij, tart
een arm, afwerend geheven, binnenzijde buiten, tot,
tergend langzaam, een huiver, een kou op het bot.

Totdat het licht de afgrond overbrugt, je ruimte
heiligt. Dan blijkt dat jij ook in dat ondoorgrondelijk
donker je ogen open had, de hele tijd al.

Gedicht: Catharinus | Heilige Ruimte